“Men roept de gemeentebestuurder tot de uitvoering, omdat hij bekend is met de omstandigheid ter plaatse en doet dit daar de belangen der ingezetenen het best worden gediend door een wijze van uitvoering, die met de plaatselijke toestanden rekening houdt” (Oud;1959)
Gemeenten zijn in de afgelopen eeuw in toenemende ingeschakeld voor de uitvoering van rijkstaken, het zogenaamde medebewind. Inmiddels maken medebewindstaken het leeuwendeel (ca. 65%) van het gemeentelijk takenpakket uit.
Een belangrijke reden voor decentralisatie van rijkstaken naar het gemeentelijk niveau is dat het lokaal bestuur beter zicht zou hebben op de lokale situatie en zo de uitvoering beter naar haar maat kan snijden.
Dit is gegeven de verschillen tussen gemeenten een merkwaardig argument. Het toesnijden van de uitvoering naar de lokale maat, levert blijkbaar zowel voor de schaal van een gemeente met 5000 inwoners een doeltreffende en doelmatige maatvoering als voor een gemeente met 600.000 inwoners.
In het rapport “groot is ook niet alles” concludeert Berenschot dat de meest doelmatige schaal voor gemeenten tussen de 20.000 en 80.000 inwoners ligt. Dit zegt niet veel. Blijkbaar is er voor elk van de gemeentelijke taken een te kleine schaal is als ook een te grote, die bij genoemde grenzen in ieder geval onder- of overschreden is. Ook zonder zo’n onderzoek is het evident dat elke afzonderlijke taak een andere doelmatige schaal kent.
De zoektocht naar een doelmatige schaal voor álle gemeentelijke taken is mede aanleiding geweest voor de herindelinggolf die Nederland teistert. Nederland kende enkele decennia geleden meer dan het dubbele aantal gemeenten. De enige constante in bestuurlijk Nederland is de voortdurende opschaling van gemeenten. Deze opschaling heeft trekken van een Tantaluskwelling. Na elke opschalingsronde blijkt de vereiste schaal voor doelmatige uitvoering van een deel van die taken toch nog net iets groter te zijn.
Het is in mijn beleving vreemd om lokale bestuurskracht te willen aflezen aan de doelmatige uitvoering van voornamelijk medebewindstaken. Om Winston Churchill te parafraseren: “als je doelmatigheid wil, moet je niet bij de democratie zijn”. Tot een doelmatige uitvoering zijn andere organisaties dan gemeenten ook, of beter, in staat. Gedeconcentreerde rijksdiensten, agentschappen, ZBO’s of private partijen kunnen ook als werktuig van de rijksoverheid worden ingezet. Dit werd al in 1914 onderkend door Van Poelje:
“Laat men die uitvoering (van medebewindstaken) niet aan gemeenten, dan zullen speciale ambtenaren er mee moeten worden belast; dan moeten we (…) een soort Kreisindeling krijgen, of in gemeenten moeten naast de plaatselijke secretarieën rijksbureelen verrijzen. En dan wordt de arme gemeentelijke zelfstandigheid op stal gezet”
Opschaling van gemeenten op grond van het doelmatigheidargument gooit dan ook het kind met het badwater weg. De lokale politieke gemeenschap; het samenvallen van gemeente en gemeenschap, wordt om zeep geholpen. Dit ten behoeve van een doelmatiger uitvoering, die op zich nimmer de bestaansreden van de lokale democratie kan zijn. Er zijn vele manieren om de uitvoering doelmatiger te organiseren; door samenwerking, door uitbesteding, of anderszins.
De gemeente is echter niet primair een uitvoeringskantoor. Het is geen bedrijf. Bedrijfskundige vraagstukken hebben niets te maken met bestuurskracht.
Bestuurskracht moet gedefinieerd worden als het vermogen de kloof tussen burger en bestuur te dichten. Bestuurskracht is het in leven houden van de lokale democratie. Herindeling vermindert in alle gevallen de bestuurskracht.


juli 5, 2004



Nog geen reacties ... Wees de eerste om een reactie te plaatsen!